In de beginjaren van de geboorteperkingsbeweging en de strijd voor vrouwenrechten waren er veel feministen die eugenetische retoriek gebruikten om meer rechten te bepleiten. In de meeste hedendaagse literatuur over vroege feministen wordt dit louter beschouwd als een teken van de tijd waarin zij leefden, maar in dit artikel wordt betoogd dat het eugenetisch feminisme op zichzelf een unieke en prominente ideologie was en dat we deze term in toekomstig onderzoek zouden moeten overnemen.
In de beginjaren van de geboorteperkingsbeweging en de strijd voor vrouwenrechten waren er veel feministen die eugenetische retoriek gebruikten om meer rechten te bepleiten. In de meeste hedendaagse literatuur over vroege feministen wordt dit louter beschouwd als een teken van de tijd waarin zij leefden, maar in dit artikel wordt betoogd dat het eugenetisch feminisme op zichzelf een unieke en prominente ideologie was en dat we deze term in toekomstig onderzoek zouden moeten overnemen.
Dit artikel geeft een inleidende uitleg op wat eugenetisch feminisme was en hoe de erfenis ervan tot op de dag van vandaag voortleeft, in een poging te pleiten voor de opname van de term ‘eugenetisch feminisme’ in het bredere feministische discours als een samenhangende ideologie, in plaats van als een toevallig symptoom van die tijd.
Het ontstaan van eugenetica
In 1859 schreef Charles Darwin On the Origin of Species, waarin hij de evolutietheorie en natuurlijke selectie uiteenzette. Deze ideeën werden al snel door Herbert Spencer in de jaren 1860 op de mens toegepast. Hij stelde dat menselijke beschavingen en ‘rassen’ eveneens verwikkeld waren in een strijd om het voortbestaan van de sterksten, waarbij witte West-Europeanen als de sterkste werden beschouwd (Weßel, 2018). Darwins neef, Francis Galton, bracht deze ideeën vervolgens samen in de pseudowetenschap van de eugenetica, die pleitte voor de “bewuste verbetering van ons ras“ (Gilman, 1927). Het doel van de eugenetica was om “de evolutie aan de menselijke wil te onderwerpen“ door middel van door de overheid geleide initiatieven voor selectieve voortplanting (Röling, 1987). Eugenetische argumenten die beweerden dat bepaalde eigenschappen of rassen inherent geschikter waren, werden overal ter wereld gebruikt om racistische wetten te propageren die gemengde huwelijken verboden, gedwongen sterilisaties oplegden aan degenen die als ‘ongeschikt’ werden beschouwd (voornamelijk vrouwen van kleur en mensen met een handicap), immigratie beperkten, en nog veel meer.
De geschiedenis van de eugenetica heeft zich voornamelijk gericht op het gebruik ervan als rechtvaardiging voor de Holocaust, maar de prominente rol ervan in sociale bewegingen in het begin van de twintigste eeuw, buiten het nazisme om, begint steeds meer aandacht te krijgen (Weßel, 2018).
Wat is eugenetisch feminisme?
Rond de eeuwwisseling van de 20e eeuw waren eugenetische ideeën wijdverbreid geraakt in (voornamelijk de westerse) wereld. Een flink aantal feministen die actief waren in dezelfde periode waarin de eugenetica opkwam, nam deze eugenetische ideeën over in hun pleidooien voor vrouwenrechten, met name binnen de beweging voor geboortebeperking (Timm, 2022). De term ‘eugenetisch feminisme’ werd in 1911 op neerbuigende toon bedacht door Caleb Saleeby (1878-1940) in zijn boek Woman and Womanhood: a search for principle (Devereux, 2006). Hij bedacht de term in een poging om witte suffragettes ervan te overtuigen kinderen te blijven krijgen, met een iets hogere sociale status als ‘moeders van het ras’. Zijn term werd in zijn eigen tijd nooit op grote schaal overgenomen, maar biedt ons wel een passende benaming voor een trend die we nu, achteraf gezien, duidelijk kunnen herkennen.
De gangbare eugenetica behandelde vrouwen als passieve actoren in de voortplanting, maar eugenetische feministen mengden zich in het debat als actieve deelnemers in de rol van ‘moeders van het ras’ (Lettow, 2014 en Devereux, 2006). In plaats van de racistische categoriseringen van de eugenetica en de overdreven nadruk op voortplanting als de enige waarde van vrouwen aan de kaak te stellen, grepen zij die ideeën aan om (witte) vrouwen te positioneren als de sleutel tot het succes van de natie. Zij stelden dat door vrouwen meer rechten te verlenen en hun levensomstandigheden te verbeteren, zij betere, ‘geschiktere’ moeders zouden kunnen zijn. Zij voerden aan dat het patriarchaat de natuurlijke selectie juist belemmerde, omdat vrouwen niet vrij waren om hun eigen partners te kiezen en in plaats daarvan werden gedwongen tot onhygiënische (een eugenetische term voor ‘ongeschikt’) huwelijken (Jacobs, 1899).
Eugenetische feministen speelden ook een prominente rol in de geboortebeperkingsbeweging, waar zij betoogden dat bredere toegang tot anticonceptie (en in sommige gevallen zelfs abortus en sterilisatie) zou helpen om het aantal ‘ongeschikte’ baby’s dat werd geboren te beperken (Röling, 1987).
Prominente feministen die eugenetica propageerden
De afgelopen jaren is het besef gegroeid dat er een verband bestaat tussen vroege feministen en eugenetica. Margaret Sanger (1879-1966), de oprichter van Planned Parenthood en een van de meest invloedrijke feministen in de Amerikaanse beweging voor geboortebeperking, was een van de eerste vroege feministen van wie de eugenetische opvattingen aan het licht kwamen (Ziegler, 2008). Zij richtte in 1942 Planned Parenthood op, een Amerikaanse ngo die gezinsplanning bevorderde door middel van seksuele voorlichting, voorbehoedsmiddelen en zelfs abortus. Sanger speelde onmiskenbaar een cruciale rol in de Amerikaanse strijd voor anticonceptie en vrouwenemancipatie, maar haar openlijke bewondering voor eugenetica is tot nu toe grotendeels over het hoofd gezien. In 2020 bracht Planned Parenthood zelf zelfs een verklaring uit waarin de organisatie afstand nam van de prominente eugenetische ideeën van Sanger en deze veroordeelde. In haar boeken, zoals The Pivot of Civilization en Woman and the New Race, pleitte ze voor geboortebeperking als essentieel onderdeel van de eugenetische missie om een ‘beter’ ras te kweken (Ziegler, 2008). Ze zei dat geboortebeperking “cruciaal en primair” was voor de verbetering van het (‘blanke’ ras en verklaarde dat:
"In the creation of a race of strong, well-born children, fitted by proper heredity and breeding to transmit undimmed the life force to the succeeding generation, the instrument of Birth Control cannot be ignored: its importance is crucial and primary."
Ook andere vooraanstaande vroege feministen, zoals Charlotte Perkins Gilman (1860-1935), de Amerikaanse schrijver en feministisch activist, zijn onder de loep genomen vanwege racistische thema’s in haar romans en politieke geschriften; het specifiek eugenetische karakter van haar opvattingen is echter nog onvoldoende onderzocht. Gilman verwerkte inderdaad racistische retoriek in haar werk, maar het ging dieper dan dat (Nadkarni, 2012). Ze huldigde specifiek eugenetische overtuigingen die gericht waren op de vermeende kracht van selectieve voortplanting om de samenleving te vormen naar haar visie van een ideale wereld. Haar eugenetische feministische retoriek is terug te vinden in haar utopische roman Herland, waarin een volledig vrouwelijke (en volledig witte) eugenetische samenleving wordt verheerlijkt (Weinbaum, 2001). Gilman geloofde dat:
"When the mother of the race is free, we shall have a better world, by the easy right of birth and by the calm, slow, friendly forces of social evolution."
Ook in Nederland is gebleken dat de beroemde feminist en arts Aletta Jacobs (1854-1929) banden had met de eugenetica-beweging. Haar band met de eugenetica is tot nu toe nog niet voldoende onderzocht, maar er zijn aanwijzingen dat ook zij dergelijke opvattingen aanhing, hoewel ze minder expliciet en uitgesproken was dan haar Amerikaanse medestrijders. (1) Jacobs’ echtgenoot was medeoprichter van de Nederlandse Neo-Malthusiaanse Bond (de oorspronkelijke naam van de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming), die pleitte voor geboortebeperking en gezinsplanning, wat zij in hun beginjaren rechtvaardigden met eugenetische retoriek. (Röling, 1987) Zij propageerden het neomalthusianisme, een uitloper van de eugenetica die erop aandrong dat de ‘ongeschikten’ (de armen) minder kinderen zouden krijgen om overbevolking en de vermeende daling van het geboortecijfer onder de ‘geschikten’ te voorkomen (Timm, 2022 en Pols, 2010).
Jacobs was actief lid tot 1899, toen zij ruzie kreeg met Jan Rutgers over de opleiding van leken in methoden voor geboortebeperking (Nabrink, 1978). Ironisch genoeg was het via dit programma van ‘deskundige medewerkers’ dat Rutgers zelf Margaret Sanger in 1915 opleidde in het toedienen van anticonceptie (Röling, 1987). In wat momenteel bekend staat als de enige keer dat Jacobs in het openbaar over eugenetica schreef, verklaarde zij dat:
“Iedereen heeft het recht op het leven, maar dat betekent niet dat iedereen ook het recht heeft om nieuw leven te verwekken.”
Het tweesnijdende zwaard van het eugenetisch feminisme
Eugenetische feministen, zoals de hierboven genoemde vrouwen, pleitten voor vrouwenrechten door de nadruk te leggen op de belangrijke rol die vrouwen speelden in de toekomst van de natie. Ze stelden het moederschap voor als een dienst en een opoffering voor de natie, maar het probleem is dat als vrouwen de sleutel zijn tot het succes van de natie, ze ook de sleutel zijn tot de ondergang ervan (Jones, 2010). Wanneer voortplanting wordt gepresenteerd als een plicht jegens de natie, betekent dit dat de natie ook het recht heeft zich te mengen in de keuze van een vrouw over hoe of wanneer zij kinderen krijgt, omdat het dan geen privébeslissing meer is, maar een dienst aan het algemeen belang. Het wordt steeds belangrijker om dit vandaag de dag aan de orde te stellen, nu regeringen over de hele wereld de beperkingen op het recht van vrouwen om te kiezen aanscherpen. Het is belangrijk dat we onze relatie met voortplanting en onze waarde als mensen heroverwegen, niet alleen als moeders in dienst van de samenleving.
De erfenis van het eugenetisch feminisme werkt ook vandaag de dag nog racisme in de hand. Eugenetica berust op het idee dat mensen niet gelijk zijn en maakt een scheiding tussen ‘geschikten’ en ‘ongeschikten’ op basis van willekeurige en racistische criteria. De invloed van eugenetica op vroege feministen is niet de enige reden voor het racisme dat in veel vroege feministische bewegingen te zien was, maar het stelt ons in het heden wel in staat om de rechtvaardigingen die zij zelf gebruikten te ontrafelen en aan te geven waar dezelfde logica vandaag de dag nog steeds voortleeft. Om racisme binnen de feministische bewegingen op de juiste manier aan te pakken, moeten we niet alleen begrijpen of zij racistisch waren, maar ook hoe, zodat we weten hoe we dit in de toekomst op de juiste manier kunnen aanpakken.
Een voorbeeld van de erfenis van de logica van het eugenetisch feminisme is vandaag de dag te zien in de TERF-beweging (Trans-exclusionary Radical Feminism), die, net als de vroege eugenetische feministen, de trans-ervaring van vrouwelijkheid ontkent op basis van hun nauwe en vastomlijnde definitie van vrouw-zijn, die vaak draait om een fixatie op voortplanting en moederschap (Burns, 2019). Beide bewegingen gebruiken biologisch determinisme om vrouwelijkheid te definiëren als een vaste ervaring met eigenschappen en vaardigheden – zoals dat vrouwen van nature zorgzaam of passief zouden zijn – die automatisch uitsluitend worden bepaald op basis van hun geslacht bij de geboorte. We moeten afstappen van de hardnekkige overtuiging dat de waarde van vrouwen en vrouwelijkheid ligt in het moederschap; het is juist een steeds veranderende en zeer persoonlijke ervaring die geen waarde of definities behoeft.
Conclusie
Ons begrip van de eugenetische erfenis binnen het feminisme is nog steeds zeer beperkt en vereist veel meer onderzoek. Het is duidelijk dat zelfs bekende feministen zoals Sanger en Jacobs banden hebben met eugenetische ideeën, maar de reikwijdte van hun overtuigingen is nog niet duidelijk. Het huidige onderzoek is versnipperd doordat er nog geen overkoepelende term bestaat voor feministen die gebruik maakten van eugenetische ideeën. Veel onderzoekers hebben dit verband afzonderlijk ontdekt (omdat het niet bepaald verborgen is), maar zij beschrijven elk geval op zichzelf staand in plaats van als onderdeel van de bredere ideologie van het eugenetisch feminisme. Door de term ‘eugenetisch feminisme’ in te voeren, kunnen we deze vrouwen in onderlinge samenhang onderzoeken en een basis leggen voor toekomstig collectief onderzoek, in plaats van onze huidige geïsoleerde ontdekkingen. Het stelt ons ook in staat om onze discussie over racisme binnen de feministische beweging te nuanceren door de precieze ideologieën te ontrafelen die dit rechtvaardigden. Door de fixatie van het eugenetisch feminisme op voortplanting te ontrafelen, ontstaat er ook meer ruimte voor vrouwen om waarde te vinden in hun ervaringen als mensen met unieke en bijzondere ervaringen, in plaats van als moeders die geketend zijn aan het lot van de samenleving.
Het verband tussen de beweging voor geboortebeperking en eugenetica doet geen afbreuk aan de monumentale verworvenheden van de vroege feministen, maar het helpt ons om de context van de strijd voor zelfbeschikking en anticonceptie te begrijpen en duiden. We kunnen de resultaten van het succes waarderen en tegelijkertijd kritisch onderzoeken hoe we daar überhaupt zijn gekomen. Als we ons duistere verleden niet onder ogen zien, laten we toe dat het doorwerkt in het heden. Als we de ideeën van de vroege feministen klakkeloos overnemen en ze niet kritisch beoordelen, nemen we hun tekortkomingen mee naar de toekomst en zullen we nooit in staat zijn om te werken aan een meer inclusieve, intersectionele beweging.
(1) Aletta Jacobs was erg actief binnen eugenetische netwerken en werkte veel samen met mensen die eugenetica aanhingen, maar ze hanteerde de term zelf nauwelijks. Er is maar een citaat waar ze het expliciet gebruikt. Maar dat neemt niet weg dat haar gedachtegoed over geboortebeperking en neo-malthusianisme goed aansloot bij het eugenetisch feminisme.





